Het dagelijks leven 1             

 
                                                                           érgens unne rumboer...

Op deze pagina o.a.: uurste autorit...rom- en gruuntenboer...blinde ezel...vodden, vellen en scharesliep...in de teil...goed heilig man...brood en butjes...erpel en vis ... ons vèreke... kruitvat... drank(mis)bruik...
haren knippen tussen de fietswielen...

Uurste autorit

De eerste keer dat ik in mijn leven met een auto mee mocht was in 1948. In de Dorpsstraat verscheen een automobiel in cabrioletuitvoering en die stopte bij ons thuis voor de deur. Dat was nog eens iets. Bij Piet van Hirtum iemand met een auto! Het bleken kennissen van ons moeder uit Helmond te zijn. Die kwamen op een zondagmiddag op d'n buurt en de koffie. Geleuf mar dat wij trots waren en we stonden dan ook als ferme bewakers bij de auto voor het geval er iemand was die het in zunne kop zu hoalen um er ôn te kommen. Misschien gingen ze zelfs wel een eindje met ons rijden? En zo geschiedde. Om de beurt mochten wij, samen met de inmiddels aangesloten vriendjes, twee tegelijk in de open auto. Achterin! Met zijn jeugdig vrachtje karde onze 'chauffeur' richting de Schel, draaide in het zand op het aauw kermisterrein en keerde terug naar Dorpsstraat G72 om de volgende twee op te halen. Het was een grote gebeurtenis die ons lang is bijgebleven.

                                                  De rom- en gruuntenboer

Deze unieke foto van onze romboer Sjaan van Grinsven is tijdens de kermis van 1945 gemaakt voor mijn geboortehuis in de Dorpsstraat t.o Marinus Groos. De muilezel was bijna blind. Duitse soldaten hebben dit dier geroofd in een Franse kolenmijn waar hij ondergronds werk moest verrichten. Tijdens hun opmars hebben ze hem meegevoerd naar Nederland. Na de oorlog kreeg Sjaan  hem toegewezen uit resten van het Duitse leger via de heer Van Braam uit Berlicum. Zijn broer Leo, van wie ik deze foto kreeg, zag hem liggen tussen de kermisfoto's en heeft deze toen gekocht.
In die tijd kwam in de Dorpsstraat naast Sjaan van Grinsven ook Tieske van Grunsven met paard en kar bij ons langs de deur om melk te venten.  Uiteraard reden er nog meer melkventers in andere wijken van Rusmolle  Zij tapten de melk in mooie maatbekers uit een grote romtuit met een kraantje die zij op hun melkkar hadden staan en goten dat vervolgens in een pan of schaal die door de klant werd aangeleverd.
De litermelkflesse
n met de mooie afsluiting van zilverkleurig folie waren toen net zo'n beetje in de handel aan het komen. Zie voor meer informatie over Sjaan van Grinsven de pagina Raadhuisstraat op deze site.

De rijdende groenteboer was Nol Savelkous uit de Stationsstraat maar iedereen kende hem als Nol Meties. Unne'n échte Rusmollense mins. Zijn ouderlijk huis stond op de hoek van de Raadhuisstraat en Venstraat onge-veer waar nu de Aldi is. Zijn paard kende precies de route én alle klanten. Als Nol uit een huis kwam startte het al en hield stil bij de volgende klant. Zo ook bij ons voor de deur. Tijdens het wachten kon je soms wel zéér goed zien dat het een hengst was en dat vonden wij natuurlijk prachtig. In onze baldadigheid gooide wij daar wel eens zand tegenaan waardoor 'het' niet meer terug kon. Nol kwaad, mopperde bij ons moeder: " Truus, die verrèkte jong he´n 't wir gedaon", vroeg om een emmer water en maakte het zaakje bij zijn paardje zandvrij zodat "de lift" weer goed funcioneerde. De bijnaam Meties komt van een van de voorvaderen van Nol die Mathijs heette. Dit werd verbasterd tot Meties.

  
De groentekar van Nol Meties met Nol uiterst rechts in 't leer en op de voorgrond Dina van Piet van 't Voske.
Rechts Nol op z'n zondags bij zijn laatste groentekar. Dit was zo'n auto'tje met voor maar een wiel, een driewieler dus.

     Vodden,vellen en scharesliep

Een mollenvanger mi z'n hundje.

Regelmatig hoorde je in die tijd iemand op straat: toddeeeeh... metáááleh... en... mollenvelléééh roepen. Dan reed er iemand met en bakfiets door 't durp die hazen- konijnen- en mollenvelden opkocht. Veel mensen slachtten toen thuis zelfgefokte konijnen. Ook jagers deden dat met hun jachtbuit omdat de velletjes van de dieren nog geld op brachten. De beestjes werden bij de slacht zorgvuldig en zonder beschadiging van hun jasje ontdaan. De pels werd  bin-nenstebuiten gekeerd en gevuld met krantenpapier of stro om snel droog te krijgen. Vervolgens werden ze uitgestrekt tegen het plafond of muur gespij-kerd zodat ze goed bleven tot de opkoper kwam. Mollenvellen was ook goeie handel omdat hiervan o.a. kragen voor jassen van werd gemaakt. Sommige mensen waren gespecialiseerd in het mollenvangen en verdienden zodoende een aardig zakcentje bij. De vellenhandelaar haalde tevens aauw ijzer en todden op. Of hij geld voor de ouwe troep betaalde weet ik niet meer. Wel had hij vaste standplaatsen in het dorp, waar je de spullen kon afgeven. Voor ons was dat het 'slagveldje', een braak liggend stukje grond waar nu het parkeerterreintje naast het kerkhof bij de ingang van de Vreeburg passage is. Dit veldje dankte zijn naam aan de 'vechtpartijen en oorlogsvoeringen' van straat tegen straat, die de jeugd daar 'uitvocht'. In "vredestijd" stond daar dus de toddenjood zoals ze hem in Rusmolle ook wel noemde. De kinderen die bij hem todden of ijzer inleverde kregen hiervoor een kado'tje. Een gum, 'n potlooike of 'n windmeuleke op 'n stokske mi garantie tot um d'n hoek. Soms kreeg je een vilten speelgoedaapje aan 'n elastiekske, mi lange haoren en rooi houtjes als hèndjes en voetjes. Maar de vreugde met zo'n aapje was meestal van korte duur. Als je er mee thuiskwam werd het meteen afgepakt en weggemieterd omdat onze ouders het maar een vies ding vonden en dachten dat er vlooien in zaten, omdat het aapje op die bakfiets tussen de ouw todden en mollenvellen had gelegen. Naast de handelaar in vellen en aauwe troep kwam ook de scharensliep langs de deur. Die was gespecialiseerd in het slijpen van messen en scharen. Hij dreef de slijpsteen aan door met zijn voet een plank op en neer te bewegen die was verbonden met een groot wiel zo ongeveer als je een trapnaaimachine bediende. Later gebeurde dat met een luidruchtig moterke dat verrèkes rookte. Soms verkocht de scharensliep ook wel andere artikelen zoals b.v. illestiek, gòrre, kneupen, kèmkes, spèlden of pèrreplu's. Daarnaast repareerde hij huishoudelijk gereedschap. Wel moest je van te voren goed de prijs afspreken want daar was achteraf nogal eens geduvel over.
 
              De oude kruiwagen-scharensliep.                        Rusmollense scharensliep v. Gulick in de Stationsstraat

                                                                                
                     
                        In de jaren tachtig overleed de laatste 'moderne' Rusmollense toddenboer Janus Damen.

In de teil

Als wij vroeger gewassen moesten worden gebeurde dat in de teil. Dat was trouwens in elk gezin zo. Hoe de volwassenen zich wasten weet ik eigenlijk niet. Ik denk niet in een teil. Wij hadden thuis een zinken teil van behoorlijke afmetingen. Dat moest wel omdat er veel kinderen waren en dus het formaat van het te wassen slachtoffer nogal verschillend was. Op zaterdag middag werd de teil in de keuken gezet en ging er een emmer of 15 water in. Of de jongens dan wel de meisjes het eerste gingen weet ik niet meer, maar we kregen niks van elkaar te zien. Ouders waren meesters in het verbergen van de sekse. Bij ons bestond een volgorde. Ons mam waste ons, zette ons naast de teil en ons pap droogde ons af en knipte indien nodig de nagels. Zo werden we er vlot als op een lopende band doorgedraaid. Bij sommige boeren deden ze in die tijd al aan hergebruik van warmte en water. Die hadden in d'n herd een grote stookketel staan om varkensvoer te koken. De hitte van de stookketel verwarmde tevens meteen d'n herd. Zaterdags werd er water in de varkensketel gekookt om hun kroost te reinigen. Het waswater werd niet weggegooid maar na de wasbeurt gebruikt om de klompen mee te schrobben. Daar was over nagedacht!

                                                                De Goedheilig Man

De echte Sinterklaas kregen wij in de vijftiger jaren meestal alleen op school te zien. Wel kregen we op Sinterklaasmorgen een kado'tje en 'n bietje snoep.
Veel kinderen van grote gezinnen kregen extra speelgoed dat was gemaakt door de oudere jongeren in Rusmolle. Deze oudere jongeren waren verenigd  in de KAJOTTERS (Katholieke Arbeiders Jeugd). In de week vóór 6 december brachten zij speelgoed, dat zij op hun "clubavonden" hadden gemaakt, bij grote gezinnen. Als Zwarte Pieten   verrasten zij de kinderen met meestal houten speelgoed zoals:  kruiwagentjes, pakhuizen met takels, treintjes en poppetjes. Dit voorbeeld heeft geresulteerd in het feit dat, toen wijzelf groter werden en van ons Sinterklaasgeloof afvielen, de kadootjes voor onze jongere broers en zussen maakten. Van allerlei houtafval fabriceerden we hetzelfde speelgoed als we van de KAJ kregen. Het eerste echte kado dat ik van mijn ouders kreeg was een motor met zijspan aangedreven met een opwindveer. Kom er tegenwoordig maar eens mee! Toen ons moeder mij op mijn achtste vertelde dat Sinterklaas niet helemaal echt was, kon ik 't niet geloven en mijnn eerste vraag was: "wit onze'n Han dè ôk? ".

                                                                 Plasje van de sint

Ook in zestiger jaren werd Sinterklaas regelmatig in Rosmalen gesignaleerd. Ik was een jaar of twintig toen in een cafè in 't durp de Goedheiligman een bezoek bracht aan een aantal kinderen. Al weet ik niet meer bij welke vereniging of gelegenheid maar ik was er in ieder geval bij om te helpen. Hij zat op een soort troon zijn werk te doen. Heiligen zijn ook maar mensen want op een gegeven moment kwamen er signalen van hoge nood onder de baard  vandaan. Hij zei met benepen stem op z'n Rusmolles: Verdo... ik moet zeik....!Wat nu. Je kon de Sint moeilijk onder het oog van tientallen jeugdige fans de toiletten laten bezoeken. Sinterklaas deed zoiets niet! Zoals altijd, als de nood het hoogste is, komt de redding nabij. De kasteleinsvrouw had een unieke oplossing bedacht. Hij werd met een smoes aan de jeugd de keuken in gedirigeerd. Er was een stoel voor het aanrecht klaargezet. Hij zette zijn mijter af, klom inmiddels rood aangelopen op de stoel, trok zijn rokken omhoog, hing ze over zijn arm en enigszins verkrampt deed de Heilige, terwijl we hem met tweeën van achteren vasthielden, zijn plas in de gootsteen van het aanrechtblok. Het hoeft geen betoog dat de enkele toeschouwers van dit onvergetelijke schouwspel bijna zelf in de broek zek.....van het lachen. Zelf heb ik een paar keer als Sint in de schoenwinkel van Riet en Sjef Dalewey in de Nieuwstraat gezeten. Jèntje van Bèrtje de Laat uit de Dorpsstraat was Zwarte Piet. In het begin vond ik het wel leuk maar na het zoveelste kind met een liedje en een tekening werd dat wat minder. Ik wist niet zo goed meer wat ik moest zeggen. Veel verder als 'bende gij altijd braaf geweest' en 'was je altijd een zuut meisje' kwam ik niet. Het ABN en het Rusmollens dialect wisselde elkaar af. De lastigste kinderen bewaarde ze schijnbaar altijd tot het laatst. Ook kinderen die niet wilde. Sommige die teveel door de ouders opgehitst en bang gemaakt waren, gingen van schrik buiten op de stoep liggen spartelen of hielden zich zo vast aan de deurstijl dat ze met geweld losgemaakt moesten worden. En maar krijsen. Tegen de tijd dat ze tot bij de Sint gesleurd waren was ik vaak zo kwaad op de ouder(s) dat ik bijna niets meer kon zeggen en met de situatie geen raad wist. Maar achteraf was het toch wel een leuke ervaring.

Enige jaren daarna. Ik was vrachtwagenchauffeur op een limonadeauto. Daarvoor droeg ik dienstkleding die be-stond uit een broek en jack in afschuwelijk gifgroen met de naam Wilson erop, een toen bekend merk. Enige dagen voor de verjaardag van de Sint op een dag met spiegelgladde wegen, zou de scouting een Sinterklaasavond vieren met alle verkenners. Mijn tweelingbroer Han was hopman van deze scouting en kreeg eind van de middag een afmelding van de Sint dat de hoeven van zijn paard niet over de gladde wegen konden. Hij zegde dus af. Wat nu. Net toen kwam ik thuis en zag onze'n Han de oplossing. Of ik de Sint niet wilde vervangen. Ik had het nooit gedaan maar alla om te helpen dan. Ongewassen meteen mee naar het Meeeuwennest in de van Meeuwenstraat, waar het honk van de scouting was, en omgekleed. Het geheel was iets te klein en paste maar net. Bij mijn binnenkomst zakte ik al meteen door het ijs. Die verrèkte jong ha'n mee in de gaten wie ik was. Ha Krien riepen de oudste opstandig. Toen ik eenmaal zat zag ik dat mijn kleding toch wel erg kort was. Onder de mooie witte rok van de Sint staken twee benen in gifgroen met onderaan een paar smerige werkschoenen. Maar afijn het geheel ging wel redelijk. Toen de jongeren wegwaren heeft de scoutingstaf nog enkele gezellige uurtjes met de Sint doorgebracht. Hoe dat afliep? Mijter ondersteboven op de kop en daarop de pruik van Zwarte Piet, lekker slokje en op schoot......een mooie griet! De Sint was ook maar een mens.

Hulpsint Krien in 1967 bij de scouting
.

                                                                               Brood en Butjes
                                                       
                                                                        Foto: Niet onze Piet, maar wel zo'n vrachtfiets

Jan d'n Bies een zoon van bèkker Dirk d'n Bies (Verbiezen), kwam een paar keer in de week met paard en broodkar langs de deur om brood te bezorgen. Wij waren met een groot gezin dus er was heel wat nodig. Vooral voor het weekend werd er veel mik naar binnen gesjouwd. Daarnaast bakte ons vader een keer in de week zelf brood. Hij kneedde in een grote zinken kuip een berg deeg. Dan stookte hij zijn ijzeren bakoven heet die in de bijkeuken stond. Dat deed hij met musterdhout. Dat waren dunne twijgen die veel vlam-men veroorzaakten waardoor de oven snel op temperatuur kwam. Er paste precies acht bakblikken in, waaronder één blik van bijna een meter. De blikken werden met deeg gevuld in de oven geschoven en s'avonds laat er weer uit gehaald. Het was voor hem hard werken maar wij hadden, vonden wij, het lekkerste brood van 't hil durp! Onze Piet heeft enkele keren voor bakker van Zuylen brood bij de mensen thuisbezorgd. Hij moest met een vrachtfiets, waar voorop een mand met brood stond, de klanten  langs. Zo'n fiets was vèrrèkes zwaor. Op een keer was hij met z'n volgeladen mand door het zandweggetje tussen de smederij van The van de Voort en het huis van Martien van den Elzen in de Raadhuisstraat geploegd. Het was op zich al een kunst om op die leeftijd met zo'n zwaar ding te fietsen en daarom hadden wij veel respect voor hem hoe hij zonder te vallen door dè zandpèdje waar gekommen. Voor het wekelijkse vlees kwam Pietje Voets "het butjesmènneke" van de Graafseweg langs. Hij ventte ook met zo'n vrachtfiets. Zijn butjes waren verpakt in krantenpapier. Hiermee reed hij ook zomers mee onder de hete de zon zodat je s'avonds een gedeelte van de krantentekst op de butjes kon lezen...! Toen goedkoop vlees  wat nu heel sjiek spare-ribs heet.                                                                      

Erpel en vis

Mijn opa en oma van vaders kant woonde op het Wild. Dat is de Maasdijk waar café restaurant De Blauwe Sluis staat. Vroeger was dat het café van Henk Smulders. Hij was ook veerman. Aan de overzijde van de Maas was een klein zandstrandje en op mooie zomerdagen was hij de hele dag druk in de weer met het overzetten van recré-anten. Hiervoor gebruikte hij een klein bootje. Eigenlijk een uit de kluiten gewassen roeibootje met buiten-boordmotor.  Maar terug naar mijn opa en oma. Wij hadden een groot gezin en lustte wel wat. Vooral de aardappelen die mijn opa teelde die in de klei  langs de Maas. Bijna wekelijks moesten mijn tweelingbroer en ik een zak van die èrpel gaan halen. We deden dat op woensdag middag en liepen dan in een uurke door de polder, bleven de middag bij opa en oma, en keerde aan het eind van de middag met de bolderkar vol èrpels in een uurke weer terug naar 't durp.
Op de heenreis van een van onze èrpeltochten kwamen we in de polder langs de "uurste brug" over de wetering  en zagen tot onze verwondering dat bijna al het water verdwenen was. Hij stond bekant dreug!  Arbeiders waren bezig om de wetering te dempen.  Wij stonden als mènnekes van 'n jaar of acht vol ontzag te kijken naar de kolossale vissen die de polderwerkers uit het lage water haalden. Ze hielden de grote vissen zelf maar gooiden af en toe een kleintje in onze richting. We wilde die visjes wel hebben maar moesten de èrpels nog halen. Dus wij in looppas naar opa's, de zak èrpel op de kar en zo vlug mogelijk weer terug naar de wetering. Tot onze opluchting waar d'r nog vis zat en wij laaiden de bolderkar zo vol als het kon. En toen op huis aan. Maar we hadden helaas niet op het weer gelet. Het was al 'n uur of zes en begon al 'n beetje donker te worden. Bovendien brak er een geweldig onweer los begeleid met stortregens en hagel. Daar stonden we midden in de polder met onze kar vis en èrpel. Snel maar richting het durp gelopen. Plots doemde uit het donker een fiets op. Onze pa! Zijn gezicht stond ook op onweer. Onze Han moest voor op de stang gaan zitten en ik achterstevoren op de pakkendrager om vanuit die positie de bolderkar mee te trekken. En ons vader  tegen de storm in terug naar Rusmolle. Bij thuiskomst kregen we een paar flinke watsen tegen de luisterflappen. Het temperde wel onze vreugde  maar dat hadden het er wel voor over omdat we toch wel trots waren op onze visvangst. Maar de buit moest wel direct verwerkt worden om bederf te voorkomen.  Iedereen werd ingeschakeld om het zaakje schoon te maken. Een aantal dagen achter elkaar hebben we vis gegeten. Daarna vonden we ze niet meer zo lekker. Maar ze moesten op want het waar zund om iets weg te gooien.

                                                    Ons vèrreke                                             
                  
                                                                                                                                                      
Piet van Lier                                                     Vèrreke op de leer


Achter ons huis liep ons "vee". Uiteraard een hoop kippen, ko-nijnen voor de kerst en een varken. Ons vader was ook jachtop-ziener  geweest en vond het leuk om ook eekhoorns te hebben. Die zaten in kleine kooien met trapjes e.d. zoals nu cavia's worden gehouden. En er heeft bij ons in de schuur zelfs een tijdje een vos opgekooid  gezeten, waar  zelfs schoolklassen naar kwamen kijken.
Een varken was in die tijd, zelfs midden in het dorp, heel gewoon. Het werd net voor de winter op de stoep achter het huis geslacht. Onze ome Jan, een broer van ons vader, en Piet van Lier waren de huisslachters. Zij legde de kuus om, onthaarde hem en hingen hem aan de ladder. Keurig ontdaan van de ingewanden hing hij daar te hangen en te pronken tot de keurmeester kwam. Die zette op een aantal plaatsen mooie blauwe stempels op het varkenslijk ten teken dat het een gezond beest was. Na een dag of drie werd onder leiding van ons moeder, bijgestaan door een aantal hulpen, het varken uitgebeend en kort gemaakt tot karbonaden,(bloed)worst, zult, spek en nog veel meer lekkernijen om de winter door te komen. Een van de specialiteiten was de reusel (puur wit vet) die in wekflessen werd gedaan. Het kon dan langer bewaard worden. Men smeerde het op een snee brood en bestrooide dat met zout. Wij als kiendjes vonden dè nie zô lèkker maar b.v. onze Ome Bert, een broer van ons moeder die in Dinther woonde, was er gek op en kwam hiervoor speciaal Rusmolle.
                 

                                                                     Kruitvat....

Ons vader was lid van de guld en had een groot oud geweer, volgens mij een Leanfield,   waar hij zelf de kogels voor maakte. Daarvoor kocht hij van het leger lange mitarailleurbanden met echte patronen. Hij verwijderde de kogel uit de huls, verzamelde het kruit en haalde het slaghoedje eruit. Daarmee 'bouwde' hij de patronen om voor gebruik bij schietwedstrijden. Hij had thuis een hele voorraad van patronen los kruid en slaghoedjes.  Overigens hadden een aantal schutters van het gilde zo'n gevaarlijk goedje in huis.
Tijdens de wedstrijden ofbij  het koningschieten van de het gilde waren er altijd een aantal deelnemers die zelf geen geweer of munitie hadden. Voor hun mochten wij als jongens van een jaar of vijftien tijdens de wedstrijden de munitie ter plekke bij de schutsboom maken. Tevens werden de patronen die bij het schieten gebruikt waren  door ons opnieuw gevuld en van een nieuw slaghoedje voorzien.  Hergebruik dus. Per gemaakte of opnieuw gevulde patroon 10 cent. (opbrengst vur de guld natuurlijk). Achteraf heb ik daar toch wel eens aan teruggedacht hoe gevaarlijk dat was. Wij maakte deze kogels op een klein tafeltje bij de schietboom. Er stond een blok hout op waar een gat in zat om de hulzen rechtop in te zetten. Eerst werd met een priem het gebruikte slaghoedje eruit gewipt en een nieuw slaghoedje aangebracht. Dan de huls omgedraaid en nieuw kruid erin. Dat mocht niet teveel zijn want dan werd het schot veel te sterk en kon dat een aardige terugslag tot gevolg hebben. Als kogel werd dan een loden prop met een hamer in de huls geslagen. Om deze proppen te maken werd er lood gesmolten en in een speciale maattang gegoten zodat ze eenmaal afgekoeld precies goed in de huls paste.  Het kruit stond in een open kistje op tafel. Veel gildenbroeders rookten en bij het kogels inleveren of kopen stonden zij met grote sigaren in hun mond boven het tafeltje. Gelukkig is het altijd goed gegaan. 
Ons vader bakte in die tijd zelf brood en gebruikte hiervoor een grote oven die hij stookte met musterhout. Deze oven stond bij ons in de bijkeuken. Het kruit dat hij bewaarde om de kogels van te maken mocht niet vochtig worden. Bovenop zijn bakovenoven stond een oud zeepdoosje met een paar kilo van dat spul erin om het droog te houden. Tot het te droog werd en in brand vloog. Gelukkig geen explosie maar wel een meterslange vlam die via  het plafond van de bijkeuken en de achterdeur een uitweg naar naar buiten zocht. Binnen werd geen kruit meer gedroogd........ !

                                                      Rusmollese café's

Café De Schaapstal aan het begin van de Tweeberg
                                

Net na de oorlog waren er in het Rusmollense centrum nogal wat herbergen: In de Kerkenhoek had je 't Huukske (nu de Griek) van Hasje van Dijk die eigenlijk van den Burgt heette en het cafe van Piet en Marie van Lier. Aan de Schoolstraat Jo Verstegen met Het Gildehuis (nu de Bierelier). In de Dorpsstraat zaten Harry van Alphen (nu kledingwinkel en slijterij de Nostalgie), Dorus Heymans (nu 't Karrewiel) en Piet der Kinderen (nu d'n Beer), die alle drie hun cafe naar zichzelf noemden, en Jan Schel met 't Centrum (nu de Kèp). Dan was er nog café "Juliana"   van Toontje en Marie Hermes, de Smid,  in de Stationsstraat en naast de spoorovergang  van bij de Tweeberg cafe 'de Schaapstal '. Dit café werd begin 1900 beheerd door Nardus van de Plas. Hij vertrok in 1905 naar de Dorpsstraat waar hij het café opende dat in onze tijd de Kèp heet. In de Schaapstal kwamen achtereenvolgens: Harrie en Kaat Swanenberg-van de Wijst, Bert en Marie Swanenberg-Timmers en Joske en Truus van Zoggel-Timmers. De zaak werd in de zestiger jaren voor de verlegging van de spoorwegovergang gesloopt.

                                                                                     Drankge(mis)bruik

Drankgebruik of zo men wil drankmisbruik kwam vroeger nogal eens voor. Het is in mijn herinnering wel zo dat dit altijd volwassenen betrof en dan nog verreweg het meeste de mannen. De opgroeiende jeugd was niet veel in de cafe's te vinden. Door de week was het in al die tapperijen niet zo druk, behalve dan met verenigingen die er hun clubavonden hielden. Op zondagmorgen na de hoogmis gingen veel mannelijke kerkgangers een borreltje vatten of kaarten als wekelijkse ontspanning. Soms liep dat aardig uit de hand en werden er huisvaders, wat overmoedig geworden wegens teveel alcohol, door hun boze vrouwen uit het café gehaald. De gevolgen van overmatig drankgebruik hebben wij in die tijd nogal eens gezien. Ik heb wel eens een handkar of zelfs ooit een kruiwagen door het dorp zien gaan met daarop een stomdronken figuur die zo ten aanschouwe van iedereen naar huis werd gereden. Naast ons huis in de Raadhuisstraat, waar nu de Hoogstraat is, liep iemand in kennelijke staat met de fiets en kreeg een zekere aandrang. Hij legde z'n fiets plat, trok zijn broek naar beneden en draaide een rokende hoop tussen de spaken van zijn voorwiel. Het opstaan ging nogal lastig omdat hij ook nog eens met zijn gewitwel tussen de spaken kwam. Met veel gemor en gevloek bevrijdde hij, onder het oog van een aantal jeugdige toeschouwers, zijn gewitwel uit het fietswiel en zwierde met z'n stinkende zaakje op huis aan.
In de heg van onze buurman Dorus Vos werd door een vaste cafébezoeker regelmatig zijn blaas geledigd. Hij vond 't gin gezicht vur de kiendjes die vanuit de tuin toekeken en besloot er 'n eind aan te maken. Toen Dorus hem weer eens aan zag komen wachtte hij tot de zatlap zijn straal in de heg spoot en sloeg er vervolgens met de schoeffel tegenaan. Het gepis in de heg was voorgoed afgelopen.
Alcohol veroorzaakte nogal eens vechtpartijtjes  vooral tussen de jonge mannen, wier puberale agressie schijnbaar door het vele drinken werd aangewakkerd.  Die ruzies werden buiten voor het café met de blote vuisten uitgevochten. Vaak dronken ze na de vijandelijkheden samen een borreltje op de goeie afloop.
Bij Jan Schel ontstond eens tijdens de kermis een flinke vechtpartij in het café. De Rusmollense pliesiemacht in die tijd, o.a. d'n Brok en Schouten (unne pliessie van bekant twee meter hoog), kwam er op af, zette hun fiets tegen de voorgevel, legde de pet op de pakkendrager, gingen het café binnen en maaiden er eens flink tegenaan. De vrede was vlug hersteld en het kermisfeest ging verder. Een snelle en simpele oplossing.
                 
 Café het Centrum, later de Kep, nu de Bierelier. Links de oude smederij van Jan Schel
 

                                                                 D'n Dillis en d'n Deurs in de smurrie

D'n Dillis(Verhagen) was toen een bekende Rusmollenaar.  Hij kluste hier en daar wat, was een befaamd mollenvanger en lustte op z'n tijd wel een borreltje. Na een stevig cafébezoek werd hij voor kapperszaak van Wim Blom in de Dorpsstraat op z'n brommertje aangehouden door politieman van Deursen, die zelf op een motor met zijspan reed. Hij foeterde hem uit dat hij eigenlijk zelfs nog niet mocht lopen en verbood hem verder te rijden. D'n Dillis liep mokkend met z''n brommertje verder de Dorpsstraat in maar bij het café van Piet de Kinderen dacht hij veilig te zijn  stapte hij er toch weer op. Pech gehad! Iets verder bij Januske van Gerven stond d'n Deurs hem op te wachten. Hij arresteerde D'n Dillis, zette hem in het zijspan van zijn motor en reed weg, de Burgemeester Wolterstraat in. Vlak voor de spoorlijn trok de jolige Dillis aan het stuur en prompt zwierde het tweetal van de weg af en reed bij de hooipers van Westerlaken een stront/afvalwaterput in. Kopje onder! D'n Dillis was er het eerste uit en duwde d'n Deurs, die net uit de put krabbelde, terug in de smurrie. Gemeenteambtenaar Jantje Venrooy, die toevallig toeschouwer was, liep snel naar het woonhuis van politieman Brok, om d'n hoek in de Stationsstraat.
D'n Brok die ginne hèndige waar, ging meteen mee, trok onderweg al zunne gummiknuppel en zorgde dat d'n Dillis zijn eigen verder rustig hield. D'n Dillis is in 't durp zo ongeveer onsterfelijk geworden met dit voorval en is bij het vertellen ervan weer dikwijls zat geworden.

                                    
                       Haren knippen tussen de fietswielen

Mijn ouders vonden het te duur om onze haren bij onze bijna buurman 'de Saar' te laten knippen. Daar kan ik nu wel inkomen. We waren met velen dus elke besparing was meegenomen. Maar toen was ik er niet zo gelukkig mee. Zolang we op de lagere school zaten moesten we voor haren knippen naar Empel. Op de fiets. Er konden per keer twee jongens mee. Maar we hadden thuis maar één fiets voor alle kinderen en daarom moest er eene bij ons vader achterop en d'n andere fietste achter ons vader aan. De route naar Empel door de polder ging over de Nieuwendijk tot aan d'n uurste wittering en dan links het brugske over. Langs de wittering liep een smal zandpèdje. s'Zomers was dit pèdje te zacht en s'winters te hard. Tussen het karrespoor en de wittering was het moeilijk om overeind te blijven en nie in 't wòtter te flikkeren.
In Empel woonde ome Jos, de oudste broer van ons vader. Die repareerde oude en verkocht nieuwe fietsen. Op zekere dag was hij in het bezit gekomen van een handaangedreven tondeuze om haren te knippen. Onmiddellijk nadat het in de familie bekend was geworden togen zijn broers met hun mannelijke kroost naar Empel om ze goeiekoop te laten kaalknippen.
Ome Jos had er nooit voor geleerd maar in zijn  werkplaats tussen de ouwe fietsen en onderdelen viel kwaliteit niet zo op. Voor dat je er erg in had was het gebeurd en was je van je haardos verlost.  Het moest vooral kort zijn had ons moeder gezegd. Nou, dat was tegen geen dovemansoren gezegd. Ome Jos knipte er lustig op los en kende geen genade en maar één kapsel: bloempotmodel. De terugweg ging wegens onze gestroomlijnde kale kop veel vlugger. Bij thuiskomst keurde ons moeder de kopkes en als het nog niet kort genoeg was pakte ze zelf ook nog efkes de schaar om 't  nog 'n bietje af te werken. De eerste dagen dat wij weer naar school moesten hadden we het liefste een pet opgezet. Maar och alles went, ok unne koale kop!

                                                                                                                            
                                                                             naar boven